Het Noordereiland
Na Golden Bay hebben we weer drie weken vakantie. Hoog tijd om het Noorder Eiland te verkennen. Na opnieuw een paar dagen Wellington rijden we langs de oostkust naar het noorden. Het weer knapt op en opnieuw schijnt de zon ons warmpjes tegemoet.
Napier werd in 1931 totaal verwoest door een zware aardbeving en daarna in de toen modieuze Art-Deco stijl herbouwd. Zo is er een aantrekkelijk stadje ontstaan. Het gaat vooral om decoratie: plant- en bloemmotieven, gestileerde tekeningen, lijntjes en figuren in de gevels. Binnen Art-Deco tapijten, houtsnijwerk, lampen. Een aardige afwisseling ten opzichte van het standaard dorp. Krakkemikkige houten gebouwtjes met golfplaatdaken onder een lange overkapping langs de hoofdstraat. Het blijft me verbazen hoe tijdelijk huizen hier werden gebouwd in de periode tussen circa 1930 en 1980. Geen aandacht voor architectuur, vrijwel geen isolatie, hout of kolenkachels, goedkope materialen. Maar de laatste tijd is er een een omslag, de huizen worden beter, in alle opzichten.
Na Napier maken we een zijstap naar het Tongariro Nationaal Park waar we de befaamde 'crossing’ lopen. In acht uur naar boven, tussen twee actieve vulkanen door, naar de top van Mount Tongariro en dan aan de andere kant er weer af. Met prachtig helder weer lopen we de tocht, samen met nog een paar honderd anderen, het is echt krankzinnig druk. Maar de wandeling is buitengewoon fraai: een donkerrode kraterwand tegen gitzwarte sintels, wit, roze en geel uitgeslagen rotsen, sissende stoomgaten, drie meertjes met drie verschillende kleuren water, het kan niet op.
Dan terug naar de kust. De Oostkaap is stil, ook hier weer vele prachtige strandjes achter stijle heuvels die bekleed zijn met biljartlaken dat er wat uitgelubberd omheen hangt. Leuk is dat we voor het eerst duidelijk in Maori gebied zijn. Elk dorpje heeft een marae, een centrale plaats, waar Maori’s bijeenkomen. Veel rood houtsnijwerk van gezichten met grote ogen en lange tongen op de deurposten. Erg aardig zijn de Maori-Anglikaanse kerkjes met gestileerde motieven in de gebrandschilderde ramen en twee Maori soldaten aan weerskanten van Jezus aan het kruis achter in het koor. De Maori die wij tegenkomen zijn aardig: een man leent me zijn hengel en laat me zien hoe ik visjes moet vangen vanaf een pier wat me zowaar lukt, een Maori jongen die we een lift geven vertelt dat hij de hele dag bezig is geweest met op en neer liften naar een oude vrouw uit zijn iwi (groter familieverband) die op sterven ligt. We overnachten in een Maori lodge aan zee. Een interessant huis dat half in een berg tussen de bomen gebouwd is. Ervoor ligt een rots op het strand. We mogen kayaks lenen en varen met de ondergaande zon de baai uit tussen tientallen eilandjes.
Na Opotiki draaien we weer terug naar het zuiden om Rotorua te zien. Dit hart van het vulkanische noorden ruikt dag en nacht naar zwavel en in de wijde omtrek zie je grote wolken stoom uit de grond komen. Het lijkt alsof er een enorme onderaardse fabriek bezig is. De zuidrand van het meer is een vulkanische vlakte met borrelende moddergaten en zwavelgele stenen. Steltlopers en een paar pukeko’s lopen onverstoord tussen het gesis door. Het stadspark van Rotorua moet uniek zijn in de wereld. Het is even groot als het Vondelpark, maar de wandelpaden lopen langs kokende meertjes en rokende scheuren. Later gaan we naar een 'Maori thermal village’. Weer zo’n vulkanisch gebied maar nu met een hek er omheen waar je toegang betaalt. Binnen zien we behalve een geyser die twee keer per uur uitbarst en weer veel hete poeltjes een Maori cultuurshow, wat toeristisch wel maar toch aardig. We zien een welkomstceremonie en diverse dansen waaronder natuurlijk de Haka, de oorlogsdans die ook nu nog door het rugbyteam van Nieuw Zeeland wordt gedanst voor de wedstrijd. Die oude gebruiken zijn overigens opnieuw sterk in opkomst. Na een eeuw van onderdrukking van de Maori taal en cultuur door de blanken zijn de Maori’s nu op zoek naar hun wortels en naar de rol die zij kunnen spelen in het hedendaagse Nieuw Zeeland. Uitgangspunten zijn: een sterk familieverband dat terug gaat tot aan mythische voorouders en een conservatieve politiek gebaseerd op hun verbondenheid met het land.
Na Rotorua weer terug naar de kust, nu via Tauranga naar de Coromandel. Een populair vakantiegebied voor Aucklanders. Je begrijpt waarom, de Coromandel doet denken aan de Franse Riviera: pijnbomen, pohutukawa’s, kanuka, roze steen en een smaragd groene zee bestrooid met kleine maar hoge rotseilandjes met een haardos van groene struiken. En mooie zandstranden. Het is al bijna winter hier maar we zijn zelfs weer een paar keer wezen zwemmen! Het weer blijft goed en de zee is koel maar wel lekker, met grote golven die je zo van je benen af vegen. Eergisteren hebben de Coromandel verlaten en zijn we in een keer dwars door Auckland naar Whangarei gereden, het begin van het hoge noorden. We sliepen in zo’n prachtige backpacker die je hier vaker ziet. Een Engels/Japans stel kochten vijf jaar geleden een stuk land in een mooie, groene vallei en bouwden er een modern huis met goedkope slaapvoorzieningen voor twaalf mensen. Alles helder en ruim ingericht en met een gemeenschappelijke zitkamer en kookgelegenheid. In de vallei zijn kalksteen grotten waar je in mag en fraaie bossen gevuld met grote rotsblokken. Gisteren trokken we door naar ons nieuwe huis en onze laatste woon/werkbestemming in Keri-keri. Zo te zien een topper, prachtig huis, idem omgeving.
Afscheid van Golden Bay
Ons huis, weer zo’n exemplaar waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan sinds de jaren 50, ligt ingeklemd tussen het Medical Centre en de ambulance-garage. Gelukkig is het aantal nachtelijke ritten van de ambulance klein. Ook van andere geluidsoverlast is in dit rustige plaatsje geen sprake.
De ambulance wordt bemand door vrijwilligers. Sommigen medisch geschoold, zoals de plaatselijke dierenarts en apotheker, maar de meesten niet. Ze zijn getraind in reanimatie en EHBO maar hebben verder weinig medische bevoegdheden. Ze mogen geen medicatie toedienen, geen infuusnaalden prikken, al die handelingen waar in Nederland het ambulancepersoneel nou juist zo handig in is. Ook 's nachts zijn ze snel ter plekke om mensen te vervoeren, naar het Medical Centre of het Community Hosptial - eigenlijk een soort verzorgingstehuis met ziekenboeg- , of indien nodig over de Hill naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis in Nelson. De enige weg uit Golden Bay loopt over Takaka Hill en is zeer kronkelig, 25 km naar boven en dan weer 25 km naar beneden. Dan ben je in Motueka, waar het slachtoffer wordt overgeheveld in de ambulance uit Nelson, nog eens 50 km verderop. Wel aardig om de patiënten die zo vervoerd moeten worden preventief wat tegen reisziekte te geven...
Het plaatsje Takaka (klemtoon op de eerste lettergreep) is vrij klein en een halve hippiecommune. De hoofdstraten liggen in een driehoek, en in het centrum daarvan is een grote lege ruimte met wat koeien en een vijvertje. In de winkelstraat eethuisjes en cafeetjes, een biologische winkel en diverse sieraden- en kadowinkels. De sfeer is vreedzaam. Men promoot het fietsen en claimt een plastic-tas-vrije streek te zijn (alleen de supermarkt doet daar niet aan mee). Je kunt er Tai Chi-les volgen en kleurentherapie krijgen, of een workshop familie-opstellingen doen. Op de zaterdagmarkt verkoopt de dikke Boeddha-achtige vijftiger die we later de djembe zien bespelen in een zigeunerbandje zijn mini-schilderijtjes.
We zitten vlak bij de kust, al merk je dat hier in het dorp niet echt. Maar binnen 10 minuten rijden sta je op een prachtig strandje. Er wonen 4500 mensen in de hele baai, sommigen op hele afgelegen plekken, alleen te bereiken met 4-wheel-drive. De bewoners komen, meer dan elders, uit alle delen van de wereld. Veel Amerikanen, maar ook veel Europeanen zijn hier in de afgelopen 10-tallen jaren neergestreken. In de zomer verviervoudigt de bevolking, het is een plek waar vele Nieuw-Zeelanders graag hun vakantiedagen doorbrengen. Dat seizoen is nu, na Pasen, echt wel afgelopen. Het mooie weer nog niet. Ze zeggen dat hier in sommige delen van de baai wel 2 tot 3 meter regen valt per jaar, maar wij zagen bijna uitsluitend zonnige luchten en de thermometer wijst nog steeds zo’n 20 graden aan. Op heldere dagen kun je vanaf de kust Mount Taranaki zien liggen, de vulkaan op het Noordereiland die wij twee maanden geleden beklommen. Die ligt op zo’n 150 km afstand, maar slechts zee ertussen, en dan die reus van 2400 meter hoog.
Helemaal in het noorden van de baai Whaririki Beach, een idyllisch strandje waar we gisteren tientallen baby-zeehondjes zagen. De moeders waren blijkbaar uit vissen; een hele ploeg kleintjes vermaakte zich kostelijk in en om de ondiepe poeltjes in de rotsen. Achter elkaar aanrennend over het strand, stoeiend, duikend en spartelend in het water, surfend op hun buik het strand opglijdend. Met hun grote blauwachtige ogen keken ze je aandachtig aan en kwamen soms enthousiast op je afgerend. Rob en ik waren de enige twee toeschouwers.
Natuurlijk zitten er ook scheurtjes in het paradijselijke decor. Al is het hier zo mooi en ogenschijnlijk sereen, als huisarts kom je ook hier mensen tegen die gestresst zijn of depressief, die aan de drank zijn of zelfmoordpogingen doen. Universele problemen blijkbaar. Door de geïsoleerde ligging is het werkaanbod niet heel groot. Veel fysiek zware arbeid, op melkveebedrijven en in de houtkap. Als dat door bijvoorbeeld een rotte rug niet meer gaat zijn de alternatieven gering. En er bestaan wel uitkeringen, maar om daarvan rond te moeten komen, vaak met een flink gezin, dat is allesbehalve luxe.
En wij? Wij zijn hier inmiddels vijf weken. We hebben de vallei uitgebreid bekeken, bewandeld en befietst, alle zijwegen hebben we gehad. De sfeer in het Medical Centre was prima, het werktempo relaxt in vergelijking met Nederland, de collega’s aardig. We prijzen ons gelukkig hier een tijdje van te hebben mogen genieten. Maar we trekken weer verder, en dat is ook prima.
op de fiets
Mijn favoriete rondje ziet er zo uit: links af de weg op, na twee honderd meter rechts en meteen linksaf. Ik ben nu het dorp uit. De weg kronkelt door een weelderig landschap van weilanden met vele bomen. Ik herken populieren, esdoorn, wilgen, pijn, den en berk. Hier en daar staat een vlammend rode boom tussen het groen, anderen hebben diverse tinten van geel. Rechts is een heuvel van een meter of tachtig hoog en een kilometer lang. Struikgewas op de heuvel begint oranje te kleuren tussen donkergroene naaldbomen. Een stukje van de heuvel heeft onlangs een woonbestemming gekregen. Het is onderverdeeld in een twintigtal percelen, de helft bebouwd met nieuwe huizen, de andere helft staat te koop. Voor 125.000 dollar NZ, (circa 63.000 euro) heb je een stukje van 50 x 50 meter in paradijs. Iets verder langs de heuvel ligt de begraafplaats. Die ziet er vrolijk uit. Gekleurde molentjes draaien in de wind, overal zijn bloemen. De graven liggen in het gras en hebben een geweldig uitzicht op een heuvel, de zee en de bergen in de verte. Tuinmannen van de gemeente komen dagelijks langs voor het onderhoud.
Voorbij de heuvel begint het estuarium. Twee keer per dag stroomt de zee hier het land in via geulen en moddervlakten. Met kracht spuit het water door een duiker onder de weg en komt pas tot staan als het vele kilometers het land is binnengedrongen. Met het water komen de vogels die zowel bij eb en vloed een feestmaal genieten. Ik zie een grote, witte reiger die doodstil in het water staat totdat zijn lange nek als een speer naar beneden schiet waarna ie een dikke bobbel wegslikt, twee kleinere reigersoorten, een groepje lepelaars, verschillende steltlopers en twee soorten scholeksters. Via een zijpad kom ik in vijf minuten aan het gouden zandstrand. Of ik fiets door en kom in een andere vallei tussen lage bergen die me terugvoert naar het dorp.
Buiten het dorp lopen alle wegen, behalve de hoofdweg van Motueka dood op de bergen. Ze veranderen dan ook na een paar kilometer asfalt in grind. Gisteren volgde ik een van die wegen naar het einde. Hij liep langs een rivier omhoog. Dikke karpers zwommen lusteloos in het spatheldere water. Het rivierdal werd steeds nauwer en de laatste boerderij was al vijf kilometer terug maar de grindweg kroop verder naar boven zonder echt stijl te worden. Een kwartiertje later verbreedde het dal zich een laatste keer tot een kleine vlakte aan drie kanten omsloten door de bergen. Er stondenzo'n twintighuizen, huisjes, caravans, en hutjes. Een bord gaf aan dat ik in Rainbow Valley was beland, een hippie commune uit de jaren zeventig die nog steeds als zodanig functioneert. Een mooi kleurig beschilderd gemeenschaphuis stond in het midden van het dorpje, drie vrouwen waren hout aan het hakken. Inmiddels woont de derde generatie zelfstandigen hier. Ze zijn nog steeds grotendeels zelfvoorzienend, met eigen groenten, eigen water, eigen dieren en eigen stroom. Maar de kinderen gaan naar school in het dorp en naar de universiteit in de stad, de ouders werken in de horeca of bij een boer.
Golden Bay
For our Canadian fans, this time an item in English.
With a name like that it has to be good, and it is. Golden Bay in the northwest of the South Island, has a coastline of ninety kilometers consisting of white sandy beaches, tidal inlets, rocky outcrops of granite and limestone and a huge sand spit, appropriately named “Farewell Spit”, trailing off into the wide Tasman Sea. It’s our playground for the next month or so, lucky us. Now natural beauty is abundant in New Zealand, but this place has something special which I would define as: ‘highly liveable’. The climate is, as far as I can tell, unusually pleasant: warm with a light sea breeze, the light very bright even by New Zealand standards. Numerous lime, lemon, orange and grapefruit trees in the village we live in are testimony to this assumption.
The people living here have mellowed out along with the weather. Main street is lined with funky coffee shops and art galleries and many people bicycle along it instead of using their cars. There are yoga- and meditation classes and there’s a movie-theatre and a good local FM radio station like way back when. (Do they still have those radiostations in Canada?). Many bars have live music in the weekends.
Yesterday we drove out to Farewell Spit and walked for about three hours along the inside and outside beaches. The spit is a curve made of sand, about 27 kilometers long and maybe 1 kilometer wide narrowing towards its tip. The inside area is very tidal and as it was low tide, there were thousands of birds feeding. We saw many black swans, a white-faced heron, gulls, terns, godwits, and dotterels. In the distance you could see the mountains of the Abel Tasman Park. On the outer beach, on the way back it was stark, no vegetation only shifting sands and an endless ocean.
Later on, we had home brewed manuka beer in a pub full of friendly people.
Golden Bay
Golden Bay ligt ten noorden van het Abel Tasman Park en kent, net als dat prachtige gebied, goudgele stranden en een karstgebergte met grotten en gaten in de rotsen. Het verschil is dat we hier in een vlakke vallei zitten met weilanden, koeien, vele diverse bomen en een rivier. Het strand ligt op een kilometer of drie. De sfeer hier is ook heel anders dan wat we tot nu toe hebben meegemaakt. Takaka is vooral een toeristendorp met yoga en meditatiecursussen, er zit een spiritueel centrum in de buurt en er wonen flink wat beeldend kunstenaars. Relaxt dus en dat bevalt ons wel.
Nu dat de toeristen vertrekken en het weer verslechterd zullen we ons meer binnenshuis moeten vermaken. Het dorp heeft een filmhuis, een bibliotheek en een paar plekken waar muzikanten optreden. Misschien ga ik wel een yoga cursus volgen.
de Catlins
De Nieuw-Zeelandse zeeleeuw of Hooker’s Sealion is een flinke slag groter dan de fur seal en komt alleen voor hier in de Catlins en op eilanden in de Antarctische Zee. We zagen de zeeleeuwen voor het eerst toen we op een prachtige camping aan de kust stonden. Een paar zwemmers lagen wat te dobberen in zee, toen we geroep hoorden. Plotseling zwom het stel met forse slagen terug naar het strand. Achter hen zag ik twee koppen snel naderbij komen. Even later kwamen ze aan land, twee glanzend grijze dieren van een meter of twee. Volgens mij wilde ze spelen, ze achtervolgden de zwemmers een stukje, draaiden zich toen om en begonnen met elkaar te stoeien. Daarna gingen ze een potje surfen, met onzichtbaar gemak gleden ze een stukje de zee in, draaiden zich om en lieten zich door de golven weer terug dragen naar het strand. Na een tijdje verdween er een terwijl de ander op het strand ging liggen om een dutje te doen.
De volgende dag werd duidelijk dat dit nog maar jonge dieren waren. Op een bijna hallucinerend strand zo mooi lagen tientallen zeeleeuwen te rusten. Zo nu en dan kieperde er eentje een lading zand over zich heen met zijn achterflap. De mannetjes waren pas echt indrukwekkend. Een meter of vier lang, donkerbruin tot zwart met grote vierkante koppen en inderdaad, echte zwarte manen rond de schouders, rug en borst. Liggend leken ze op een boomstam maar soms kwamen ze overeind en hadden dan veel weg van een leeuw. Van ons trokken ze zich weinig tot niets aan, alleen als je iets te dichtbij kwam ging er een oog open en kwam de kop omhoog.
Tegen de avond zagen we een drietal yellow-eyed penguins op het rotsstrand bij de camping. Ze zijn flink groter dan de little blue penguins die doen denken aan figuurtjes uit een tekenfilm voor kinderen. Maar deze zijn bijna een meter hoog en staan met uitgespreide flappen op de stenen terwijl er een groepje mensen met camera’s op een meter of dertig afstand staat te klikken.
Wouter
Wouter
Je kwam na dertig uur reizen energiek het vliegtuig uit,´slapen, ikke niet, daar kom ik niet voor´. En wij dus meteen naar het strand, kite opblazen, ik moest de zee in om hem op te gooien. Gierende vlagerige wind en scherpe rotsen half in zee, het is maar goed dat het niet lukte. Vanaf het strand zagen we aalscholvers die vanuit hun boom een rondje vlogen op zee en weer neerstreken.
Daarna Akaroa, waar het idee ontstond om een Harry Potter fotolijst te ontwerpen, doen hoor! En toen de rit dwars door het Zuider-Eiland.
Je had je wandelschoenen meegenomen. Op de eerste korte tocht hinkelde je op één voet omdat de andere pijn deed, later liep je maar helemaal op blote voeten. Maar wat een geweldig meer lag er helemaal voor ons alleen te wachten. Op de terugweg werd het donker, jij liep voorop, op je blote voeten: ´brug´, ´boomwortel´, ´bocht´ riep je.
De Abel Tasman trek met zijn goudgele stranden in de hitte en dus vier keer per dag zwemmen, de paradijseenden die in gelid voorbij liepen, de overnachtingshutten met wolken van stekende vliegen. Jij had wel dertig beten op je blote benen. De op zijn rug poedelende penguin in zee, de mooie schelpen in het zand.
De beklimming van de vulkaan, terwijl ervaren klimmers het opgaven omdat het te hard waaide, mistig was en het stortregende wilde jij nog even door naar boven. Clara en ik aan een abseiltouw onder de grond omdat jij zo graag in de Waitomo grotten wilde afdalen. Zo maak je nog eens wat mee op je ouwe dag.
Auckland en de tocht op Rangitoto die fors uitliep waardoor we de veerboot terug nog maar ternauwernood haalde, dat kwam door mij. Bijna had je je vliegtuig gemist. De luchthaven om zes uur ´s ochtends waar je je bagage op de stoep uitstalde om er een acceptabel pakketje van te maken.
En je hebt gelukkig ook nog flink kunnen surfen.
Wouter, het was super.
Taranaki
Het stadje zelf is zoals veel Nieuw Zeelandse plaatsjes. Een winkelstraat met diverse zaken die ogen alsof ze er 40 geleden precies zo uitzagen. Veel 2e-hands winkeltjes, een handwerkzaak, een bakkerij waar de honden geen brood van lusten. Eetgelegenheden met matig eten en goede koffie. Een toren met glockenspiel, dat 4 keer per dag een poppenspel over Romeo en Julia laat zien en horen. Verder rechte straten met vrijstaande huizen. Er stroomt een woest riviertje door het park, als je de oevers volgt heb je binnen 5 minuten het gevoel dat je ergens in de wildernis loopt. Prachtige bloemen overal.
De werkplek is oke, ons huis is echter een dieptepunt in onze OSE (over sea experience). Donker, muf, doorgezakte banken en een bed waar de veren uitspringen. Wij zetten ons tentje op in de tuin (een lap grond van wel een hectare, compleet met kudde schapen), en als het kouder en natter wordt kruipen we in de kinderbedden. Er komt een viezig zure lucht uit de keukenkastjes. Hier hebben de ouders van de inmiddels gepensioneerde huisarts gewoond tot hun dood, en er is blijkbaar al lang voordien niets meer aan gedaan. Gelukkig zijn er in de omgeving wat aardige dingen te bekijken. New Plymouth, 35 km naar het noorden, is een havenstadje met mooie stranden en parken. We lopen er met Pien en Gjalt, op bezoek in hun hippie-camper, de Coastal Walkway op een zonnige zaterdag.
Hoogtepunt van ons verblijf is de beklimming van de vulkaan. Rob en Wouter deden de eerste poging, maar moesten terugkeren omdat het weer omsloeg - dat gebeurt hier vaak en rap. Ze begonnen met een heldere lucht maar liepen na een uur in de stromende regen, en naar verluid waren er boven ijzige windstoten.
Een week later hebben Rob en ik meer geluk - het is en blijft een warme, stralende dag. De tocht begint op 1400 meter hoogte. Het eerste stuk loopt geleidelijk omhoog, tot aan een onbemande berghut. Vandaar uit start de Summit-track, en die gaat zo’n beetje recht omhoog. Het eerste stuk is een eindeloze trap, daarna volgt een helling van kleine losse steentjes, van de soort van 2 stappen vooruit en 1 stap terug. Onze tegenliggers komen soms zittend naar beneden gegleden. Ik begin me af te vragen of het wel echt nodig is om die top te bereiken. Toch noch maar even een stukje klimmen. Het uitzicht begint wel adembenemend te worden. Normaal zijn er in de bergen overal om je heen ook bergen, maar juist omdat dit een eenzame vulkaan is - het wordt volgens de deskundigen weer zo’n beetje tijd dat hij gaat uitbarsten - heb je hier het de gevoel dat je on-top-of-the-world staat. Wolken onder je voeten, ertussendoor groen land. en in de verte doemen opeens nog 2 andere vulkanen op. Die liggen ruim 100 km verderop! We komen een daler tegen die zegt dat het nog maar anderhalf uur is naar de top... Even verderop komt een 82-jarige man naar beneden. Hij heeft de berg al vele malen beklommen, en zou nu eigenlijk verstandiger moeten zijn, want vorig jaar is zijn heup uit de kom geschoten. Maar hij kon toch de verleiding niet weerstaan.
Na de steentjeshelling volgt nog een uur over rotsen omhoog klauteren. Dan sta je ineens in de krater, nu een veldje ijs. De echte top ligt nog even hoger. Vandaar heb je een 360-graden panorama. Niet de plek voor de lunch, want het is hier, raadselachtig, vergeven van de minuscule vliegjes. Waar leven die van? Broodkruimels van toeristen? Wij gaan 100 meter lager op een mooi plekje zitten genieten van het uitzicht, een boterham en onze laatste druppels water.
Clara